Interview met Charles den Tex
Charles den Tex schreef het geschenkboekje voor de Maand van het Spannende Boek 2010: Onmacht. In Onmacht lijkt Den Tex af te stappen van zijn vertrouwde thema, bedrijfsthrillers. Dit lijkt een novelle over dramatiek in een gezin. Maar niets is wat het lijkt, want de in het nauw gedreven hoofdpersonen nemen het heft in handen en infiltreren in elkaars leven… Blz. interviewde Charles den Tex.
Lees interview
Interview
Foto Charles den Tex: c Chris van HoutsHet thema van deze maand vol spanning is Mørd en Dødslag - meeslepende misdaadverhalen uit Scandinavië. Hoe vindt u het dat u als Nederlander, in de periode dat Scandinavië centraal staat, dit geschenk mag schrijven?
“Het is sowieso een enorme eer om het geschenkboekje te mogen schrijven. En het is fantastisch dat ik dan omringd word door een groep schrijvers die wereldwijd tot de top behoort.”
Bent u zelf wel eens in Scandinavië geweest om inspiratie op te doen voor uw thrillers?
“Ik ben in Denemarken en in IJsland geweest, niet in verband met een verhaal, maar om collega’s uit die landen te ontmoeten. Op een andere manier biedt dat veel inspiratie.”
Leest u thrillers van collega auteurs en zo ja, welke?
“Sinds ik zelf thrillers schrijf, lees ik minder thrillers. Als ik aan het schrijven ben, zit ik maandenlang in die wereld opgesloten. Als ik dan klaar ben, lees ik vaak wat anders.”
Het aanbod van Nederlandse misdaadliteratuur is in een jaar tijd aanzienlijk gestegen, heeft u een verklaring voor het feit dat steeds meer misdaadboeken door Nederlandse auteurs geschreven worden?
“De Nederlandse misdaadliteratuur wordt steeds beter, er komt steeds meer aandacht voor, we hebben onze eigen Nederlandse successen – dat alles bij elkaar trekt ook steeds meer schrijvers.”
U heeft een carrière als communicatie-adviseur in het bedrijfsleven gekend, neemt u iets van deze ervaring mee in het schrijven van uw boeken?
“Ja, vrij veel zelfs. Veel van mijn verhalen zijn in het bedrijfsleven gesitueerd en Michael Bellicher, de hoofdpersoon van De macht van meneer Miller, CEL en Wachtwoord, is ook communicatie-adviseur.”
De Maand van het Spannende Boek geschenk heeft de titel Onmacht. Zijn er situaties waarbij u zich onmachtig voelt.
“We voelen ons allemaal wel eens onmachtig om het leven die kant op te sturen die we het liefst zouden willen. Soms lukt het, soms niet. Soms heb je er niets over te zeggen. Onmacht is vaak dichtbij. De kunst is om het te zien, dan kun je het klein houden.”
Interview met Ad van Liempt over zijn boek De oorlog
Met de titel De oorlog start op zondag 25 oktober een nieuwe, negendelige TV-serie over de Tweede Wereldoorlog. Rob Trip presenteert het bekende verhaal op een nieuwe, eigenzinnige manier. Ad van Liempt, eindredacteur van De oorlog, bewerkte de TV-serie tot een gelijknamig boek.
Lees interview
Interview
Een eigenzinnige TV-serie – dus ook een eigenzinnig boek?
‘We zijn op een nieuwe manier tewerk gegaan, los van conventies. Zo’n conventie is bijvoorbeeld het gestigmatiseerde beeld dat we vroeger hadden van de oorlog. In het wetenschappelijk onderzoek is dat beeld al sterk veranderd, maar bij ‘het brede publiek’ in veel mindere mate. Het boek en de TV-serie zijn bedoeld om het veranderde wetenschappelijke standpunt te vertalen voor een breed publiek.’Wat houdt dat veranderde standpunt in?
‘Dat wil vooral het te nadrukkelijke verschil tussen goed en kwaad wegpoetsen. Al jaren blijkt het zwartwitbeeld (de Duitsers waren slecht, het verzet was goed) gecompliceerder en genuanceerder te liggen. Mensen waren soms tegen, soms voor de Duitsers. Mensen in het verzet hingen de held uit. We leggen de vinger soms op de pijnlijke plek, maar dat is nodig.’Zijn er andere aandachtspunten gekomen in onze kijk op de oorlog?
‘De wetenschap durft nu te kijken naar aspecten van de oorlog waar voorheen nauwelijks aandacht voor was. De eerste vier jaar van de oorlog, bijvoorbeeld, die relatief rustig waren. En de Nederlandse economie, die een sterke impuls kreeg door de Tweede Wereldoorlog.’Hoe precies?
‘De werkloosheid werd nagenoeg nul, door de sterke banengroei dankzij orders van de Wehrmacht. De export steeg daarnaast gigantisch. Die ging natuurlijk naar de Duitse oorlogsmachine, maar in economisch opzicht was het goed voor Nederland. Het is lange tijd een gevoelig onderwerp geweest, maar nu er bijna zeventig jaar overheen is gegaan, kunnen we hier eindelijk aandacht aan besteden.’De TV-serie en het boek De oorlog maken veel gebruik van de ‘Andere Tijden’-methode van documenteren. Wat is die methode?
‘Andere Tijden is een documentairereeks over de recente historie, die ‘grote verhalen’ vanuit het gezichtspunt van een of enkele mensen bekijkt. Op die manier begrijp je de impact van bepaalde gebeurtenissen op het alledaagse leven van ‘gewone mensen’. Voor De oorlog maakten we gebruik van vele honderden dagboekfragmenten van de meest uiteenlopende mensen: Joden, huisvrouwen, burgers, politieagenten, overlopers, NSB’ers. Het verhaal is op die manier veel directer en emotioneler, en geeft de authentieke, ongefilterde mening van dat moment weer.’Kunt u een voorbeeld geven van zo’n dagboekfragment?
‘Ik heb onder andere een fragment gebruikt van een 14-jarig Joods meisje, dat met de eerste anti-Joodse maatregelen te maken krijgt, maar tegelijkertijd opgewonden is over een knalfuif waar ze met haar vrienden naartoe gaat. Je merkt een behoorlijk verschil tussen haar zienswijze – zij kent de toekomst niet – en onze zienswijze achteraf.’Nieuw is ook de aandacht die u besteedt aan de periode na mei 1945.
‘De meeste documentaires en boeken houden op na 6 mei 1945, als de Tweede Wereldoorlog in Nederland is beëindigd. Er gebeurde veel in de maanden en jaren hierna, en Nederland kwam er niet goed af.’Het is een verzwegen periode in de geschiedenis. Wil De oorlog ook hier de vinger op de zere plek leggen?
‘Zeker! Nederland is in sommige gevallen beschamend omgegaan met collaborateurs en zogeheten moffenhoeren. We zetten de Duitsers gevangen in kampen, zoals zij dat eerder hadden gedaan. Tegelijkertijd leverde Nederland een knappe prestatie door in een paar jaar tijd liefst 66.000 collaborateurs te berechten. In de omgang met Nederlands-Indië blijkt dat Nederland bijzonder bekrompen en geïsoleerd was. Waar dekolonisatie voor andere landen al realiteit was geworden, wilde Nederland een oorlog voeren die het niet kon betalen. De regering wilde onderscheid maken tussen de jure en de facto, terwijl er revolutie heerste en bloed vloeide. We werden – in sommige gevallen terecht – vergeleken met de Duitsers en de Japanners.’Paul van Loon – Grumoristische verrassing
Het nieuwe boek van Paul van Loon ligt ingepakt als een reep chocolade in de winkel, met de naam van de schrijver erop zodat de benieuwde lezer hem kan vinden. Maar wat zit er eigenlijk in?
Een weerwolf in de leeuwenkuil
Paul van Loon
Gebonden € 14,95
Interview
Wat kunnen de lezers verwachten van de nieuwe Paul van Loon?
‘Ik vertel niet waar het over gaat. Dat moet een verrassing blijven!’Wilt u toch een tipje van de sluier oplichten?
‘Nou, ik kan wel zeggen dat het gaat over een bekende figuur, die verdwaalt in de dierentuin. Hij verliest zijn geheugen. Maar of hij zijn geheugen wel of niet terugkrijgt…? Meer zeg ik niet, iedereen moet het boek gaan kopen en lezen!’Gefeliciteerd met dit boek, want het is uw honderdste titel. Is dit een speciaal boek voor u?
‘Het is heel bijzonder dat dit mijn honderdste boek is, maar net als de andere 99 boeken heb ik er 100% mijn best voor gedaan, net als illustrator Hugo van Look. Het belangrijkste is het verhaal dat ik in dit boek vertel. Net als alle andere verhalen ontstaan die in mijn hoofd. Ik zie een film voor me en schrijf die op in een boek.’Weet u van tevoren hoe de film afloopt?
‘Nee, en dat maakt het schrijven ook voor mezelf heel spannend. Net als de lezers ben ik ook benieuwd naar de afloop. Ik volg de verhalen net zo geboeid, en als ik niet schrijf, zijn de personages uit mijn boeken ook deel van mijn leven.’Dat gaat in een hoog tempo; vroeger schreef u meer dan vijf boeken per jaar! Waar kwamen al die films in uw hoofd vandaan?
‘Ik had in het begin heel veel ideeën en kon niet wachten om die allemaal op te schrijven. Daarom kwamen er toen heel veel boeken uit. Intussen doe ik het iets rustiger aan en verschijnen er jaarlijks één dik boek en een paar dunnere.’Én u schrijft aan een nieuw tijdschrift, toch?
‘Dat klopt. Dolfje Weerwolfje is een van mijn favoriete boekenseries. En over Dolfje zijn we dit jaar een tijdschrift begonnen dat elke twee maanden uitkomt. Het derde nummer is onlangs verschenen en gaat over geheimen.’Net zo geheim als de inhoud van uw nieuwe boek?
‘Net zo geheim!’Het wordt toch wel weer griezelig?
‘Absoluut. Ik houd van griezelige boeken. Het is een heel mooie, verzonnen wereld, veel leuker dan realistische verhalen in de ‘echte’ wereld. Alle kinderen groeien op met sprookjes over heksen en draken, de griezelige boeken die ik schrijf, zijn daar een vervolg op.’Is het voor kinderen soms ook té griezelig?
‘Over Griezelbus 0, het verhaal over de Beenknager, bijvoorbeeld, hebben veel kinderen gezegd dat ze ’s nachts niet konden slapen. Stiekem is ook dat een groot compliment, want die lezers beschouwen dat juist als een aanbeveling voor het boek. Maar mijn boeken zijn niet ‘alleen maar’ spannend, ik houd ook van humor, en ik stop veel grappen in mijn boeken. Ze zijn griezelig en humoristisch, grumoristisch kortom.’Dolfje is ook een beetje griezelig, hij is een weerwolf. Toch heeft hij veel fans. Hoe komt dat?
‘De verhalen van Dolfje zijn niet alleen spannend, maar ook heel mooi. Hij leeft in een veilige wereld met vriendjes, het is er vriendelijk en gezellig.’Thomas Rosenboom over zijn nieuwste roman
‘Elke dag een bladzijde’
Een gesprek met Thomas Rosenboom
Thomas Rosenboom (Doetinchem, 1956) groeide op in Arnhem. Hij ging naar Nijmegen om psychologie te studeren, maar na drie jaar hield hij daarmee op. Zijn studie Nederlands in Amsterdam rondde hij vervolgens helemaal af.
In 1983 debuteerde hij als schrijver met de verhalenbundel De mensen thuis, en al snel volgde de psychologische thriller Vriend van verdienste. Zijn grote doorbraak kwam met de imposante roman Gewassen vlees (1994), waarvoor hij de Libris Literatuur Prijs ontving. Hij had meer dan zeven jaar aan de roman gewerkt, en vijf werkjaren later publiceerde hij Publieke werken (1999) – en opnieuw won hij daar de Libris Literatuur Prijs mee. Het is een unicum, want tot op de dag van vandaag heeft geen enkele schrijver die prijs tweemaal ontvangen.
In 2003 verscheen zijn roman De nieuwe man (2003), die genomineerd werd voor de AKO Literatuurprijs en de NS Publieksprijs. Na het Boekenweekgeschenk Spitzen, het pamflet Denkend aan Holland en de verhalenbundel Hoog aan de wind verscheen eind augustus 2009 zijn langverwachte nieuwe roman: Zoete mond.
Patricia de Groot, die als redacteur van Thomas Rosenboom met hem samenwerkte, sprak met de schrijver over de ontstaansgeschiedenis van die roman, over zijn manier van schrijven en over de levensloop van de twee hoofdpersonen, Rebert van Buyten en Jan de Loper.
foto Allard de Wiite
Zoete mond/ druk 2
Thomas Rosenboom
Paperback € 22,50
Zoete mond / druk 1
Thomas Rozenboom
Gebonden € 28,50
Interview
Ik kan me voorstellen dat je lang aan je nieuwe roman gewerkt hebt, Zoete mond is heel omvangrijk.
Sinds het verschijnen van mijn vorige boek en het gereedkomen van mijn nieuwe roman zijn vijf jaar verstreken, maar het eerste jaar van die periode is voorbijgegaan met uitrusten en privé weer op orde komen. Al met al heb ik dus ongeveer vier jaar daadwerkelijk aan Zoete mond gewerkt, en dat zo dagelijks mogelijk: het boek is geschreven in een werkkamer op de uitgeverij, en elke dag dat de uitgeverij open was ben ik er geweest, zonder behoefte aan vakantie of onderbrekingen door ziekte – achteraf gezien een heel goede tijd.
Hoe zag zo’n schrijfdag er dan uit, zit je bijvoorbeeld achter de computer? Of gebruik je eerst de pen en tik je het manuscript pas later?
Vroeger schreef ik inderdaad de eerste versie met de hand, en daarna nog twee versies op de schrijfmachine respectievelijk de computer, maar vanaf De nieuwe man ben ik dadelijk op de computer begonnen en schrijf ik nog maar één versie, elke dag een bladzijde. Toch herschrijf ik nog altijd veel, want de bladzijde van maandag krijg je dinsdag weer onder ogen, je herstelt de gebreken, gaat door met de nieuwe bladzijde, enzovoort. Als ik terugdenk zie ik de pagina’s als dakpannen over elkaar liggen.
Bij het schrijven heb ik op mijn werkkamer een groot schema aan de muur hangen. Ik maak dat schema zoveel mogelijk van tevoren, tot het me genoeg vertrouwen geeft om te beginnen met schrijven. Terwijl het boek vordert vul ik het verder in en dient het als houvast.
Kun je je nog herinneren hoe het was voordat je aan de roman begon te bouwen? Ik bedoel, bedacht je een idee voor de nieuwe roman of had je opeens een beeld voor ogen dat alles in gang zette?
Ongeveer zes jaar geleden kreeg ik een konijn in huis en raakte ik als het ware bedwelmd door liefde voor dat dier, en dat was het eerste beeld voor Zoete mond: een heel dorp dat uitbreekt in dierenliefde. Iemand van buiten moest dat teweeg brengen, een vreemdeling die zich in het dorp vestigt en een bijzondere band met dieren heeft – een dierenarts, dacht ik opeens, een dierenarts die een praktijk begint voor louter gezonde dieren, omdat de kinderen dat van hem vragen. Toen ik vervolgens een tegenspeler voor hem vond, in de persoon van Jan de Loper, begon een en ander op een verhaal te lijken en kon ik beginnen.
Rebert van Buyten speelde vanaf het begin de hoofdrol, Jan de Loper werd pas later belangrijk in het verhaal, eigenlijk pas vanaf het moment dat ik hem niet alleen meer een stuitend, maar ook een tragisch figuur begon te vinden. Dat de finale tussen hen beiden zou gaan werd toen een mogelijkheid die ik niet eerder had gezien.
Ik bedacht dat ze in een dorp moesten wonen, en even later herinnerde ik me een documentaire over een walvis die de Rijn op zwom, en dacht: dat kan ik dan ook laten gebeuren. Wat me toen voor ogen stond had wel iets van een zoetige western; het uiteindelijke resultaat is veel donkerder van kleur geworden.
Je laat het verhaal zich afspelen in Angelen, een klein dorpje aan de Rijn. Maar ik kon de plaats niet op de kaart vinden...
Nou, het bestaat ook helemaal niet. Het is een denkbeeldig dorpje, dat ik aan de noordelijke oever van de Rijn, zo ongeveer schuin tegenover Millingen heb gesitueerd. Het ligt in de buurt van Tolkamer, bij de Duitse grens, waar de Rijn Nederland binnen stroomt. Ik wilde een prototype van een dorpje beschrijven, een ‘oerdorp’ met een kerk, een bakker enzovoort. Dat zijn uitsluitend de elementen waar het mij om ging, die ik kon gebruiken zonder vast te zitten aan het weergeven van een bestaand plaatsje. Omwille van mijn vrijheid bij het schrijven en omwille van het exemplarisch zijn heb ik daar Angelen voor bedacht.Geldt die vrijheid ook voor de jaren waarin het verhaal zich afspeelt? Je noemt namelijk niet zo veel specifieks uit de jaren vijftig en zestig, vond je dat ook niet nodig?
Ik wilde het graag algemeen houden, want de jaren zestig spelen op zich geen rol. Toevallig zwom de witte walvis in 1966 Nederland binnen, dat wilde ik beschrijven, niet de periode van de jaren zestig. Maar sommige elementen uit die tijd kon ik inzetten voor het verhaal, zoals bijvoorbeeld de hippies die langs de Rijn zitten te kijken, en de opkomst van de televisie. Dat laatste heb ik gebruikt om aan te geven hoe moeilijk Jan de Loper het heeft. Als zijn beroemdheid tanende is, kan alleen de televisie hem terugbrengen in het oog van de massa, maar de tv hoeft hem niet.
Jan de Loper wordt tergend naarmate zijn grappen meer en meer herhaald worden. Dat procedé past helemaal in de roman, omdat veel dubbel voorkomt. Zo komt de beginscène met een ingenieuze constructie ongeveer vierhonderd pagina’s later terug, of andere scènes komen gespiegeld bij de tegenspeler voor. Heb je die dubbeling bewust op verschillende niveau’s in de roman aangebracht?
Nee hoor, die dubbeling is me pas vrij laat gaan opvallen en is volkomen onbewust in het verhaal gekomen. Met zoveel voorbedachten rade schrijf ik dus ook weer niet. Maar het was wel mooi meegenomen, toen ik het eenmaal zag kon ik er ook mee spelen. Een voorbeeld daarvan is Japie, een jongetje uit het dorp, dat altijd gepest wordt. In het boek zijn daar twee scènes van opgenomen, die nogal ver uit elkaar liggen: de eerste keer als hij brood heeft gehaald en een groepje kinderen hem dat bruut afpakt. Vervolgens is Japie de voorganger van de dierenliefde in het dorp, hij wordt een populaire jongen en het pesten is afgelopen. De witte walvis zwemt aan het dorp voorbij, Rebert loopt langs de rivier met de walvis mee Duitsland in, en als hij terugkomt is het dorp teruggevallen in de oorspronkelijke staat. Wanneer Rebert boodschappen gaat doen, ziet hij dat Japie opnieuw gepest wordt, zijn rode jasje wordt hoog in een boom gegooid. De idylle van de dierenliefde is voorbij, het is weer de gewone wereld met de kinderwreedheid, de pesterijen.
Heeft die dubbeling ook te maken met de geschiedenis die zich herhaalt? Je schrijft dat het moderne leven in het dorpje aan de Rijn zijn intrede doet, maar tegelijk verandert er niets in de loop van de geschiedenis. Het blijft hetzelfde dorp, met dezelfde mensen, dezelfde dieren... Ik vind het prachtig beschreven en tegelijk ook enigszins beklemmend: blijft dan altijd alles hetzelfde?
Je kunt de gehele vertelling in het boek zien als iets dat even uit de tijd gelicht wordt. Een circus komt naar het dorp, een paar dagen lang is alles anders, dan trekt het circus weer verder. Het dorp blijft onveranderd achter, zou je zeggen, maar het is nu wel een dorp waar het circus is geweest, en daarvoor nog niet. Zo kun je ook de gehele vertelling van deze roman zien, als een idyllisch intermezzo in de prozaïsche werkelijkheid die iedereen kent. Het leven is op zich natuurlijk helemaal niet idyllisch.
Het maakt Zoete mond tot een ontroerend boek, maar tegelijk is het ook een beklemmend én een heel geestig boek. Was het moeilijk om die drie elementen in een goede verhouding te krijgen? Ja, de eenzaamheid van de twee hoofdfiguren dreigde al het andere soms te verstikken.
Jan de Loper ging niet om met vrienden, maar met publiek. Hij werd populair, kreeg aanloop op zijn landhuis, organiseerde die aanloop zelfs, stelde bezoektijden in, hield rondleidingen in zijn zelfgemaakte museum. Voor hem vervulde het publiek de rol van een vriendenkring. Na de oorlog bleek dat een tijdelijke rol te zijn, en is hij moeite blijven doen om dat publiek terug te krijgen, maar dat lukte niet. Meer dan twintig jaar heeft hij vergeefs aandacht proberen te krijgen.
Rebert is tijdens zijn studietijd eenzaam, maar wordt gelukkig in het huwelijk met Tine, dat helaas niet lang mag duren. Wanneer hij daarna naar Angelen verhuist, kan hij fantaseren over Laura. Hij richt zich in tegenstelling tot Jan de Loper wel op individuen, is niet theatraal ingesteld, maar krijgt zijns ondanks een dankbaar publiek in de kinderen en mensen van het dorp.
Er zit een kruisstelling in het boek: de aandacht die Jan de Loper niet krijgt maar die hem gelukkig zou maken, krijgt Rebert, die daar helemaal niet naar streeft.
Laura Banda woont ook in het dorp, en zij is toch wel te zien als de motor voor de confrontatie tussen beide mannen.
Rebert is meer dan Jan de Loper iemand van de moderne tijd, hij heeft een opleiding gehad, en hij lacht neerbuigend om de grappen van de Loper, terwijl hij dat neerbuigende eigenlijk niet in zich heeft. Onwillekeurig doet hij misprijzend, en vanaf dat moment neemt Laura het op voor de grappenmaker. Zij vertelt hem voortdurend hoe Jan de Loper ook aan liefdadigheid doet, en hij houdt toch immers ook van dieren? Daarmee ontzegt ze Rebert het recht neerbuigend te doen. Haar houding maakt hem kwader, het werkt als een rode lap op een stier, en heeft een averechts effect: Jan de Loper wordt alleen maar steeds nadrukkelijker tegenwoordig in het hoofd van Rebert, het wordt een obsessie, hij moet er iets aan gaan doen.
De eenzaamheid, of het niet op zijn plaats zijn, zit natuurlijk ook in de witte walvis.
Net als Rebert gaat de vis uit zijn gewone omgeving weg, brengt hij ergens een gevoel teweeg, namelijk de dierenliefde in het dorp, en verdwijnt weer. Wat dat betreft zijn hij en Moby de walvis hetzelfde. Zo trekt Rebert witte kleren aan en loopt hij langs de rivier met de walvis mee naar Duitsland. Maar de vergelijking gaat tegelijk ook niet helemaal op: Moby heeft een plek om naartoe terug te gaan, althans Dr. Gewalt, die in Duitsland op hem jaagde, sluit niet uit dat de walvis, eenmaal weer op zee, zijn familie terugvindt. Maar Rebert... waar loopt hij naartoe aan het eind?
Je was tien toen de walvis door Nederland zwom. Het valt me op dat in Zoete mond verschillende aspecten zitten die autobiografisch zijn. In je pamflet Denkend aan Holland sprak je je voor het eerst in een publicatie direct uit. Zou je kunnen zeggen dat je persoonlijker bent gaat schrijven?
Ja, in het pamflet schreef ik voor het eerst in de ik-vorm. Dat was nieuw voor mij. En in de nieuwe roman zitten inderdaad gebeurtenissen die ik zelf heb meegemaakt of die ik mij herinner. Het boek speelt zich af in de streek waar ik geboren ben, opgroeide en studeerde; en net als ik heeft Rebert van Buyten twee studies gedaan. Jan de Loper kan in verband gebracht worden met mijn liefde voor het hardlopen; en zoals ik al eerder zei, is de liefde voor de dieren die in Angelen opsteekt, begonnen met mijn eigen konijn. Ook die nieuwbouwwijk, of die zeiltocht waarin Rebert de golfenergie uitvindt komen uit mijn eigen leven en herinnering. Maar nog los van deze elementen is dit boek ook in de kern het persoonlijkste tot nog toe.
Hoe is het om een roman af te hebben na al die tijd? Kijk je uit naar de reacties, of is het gevoel uit de wereld van de roman te zijn gegooid allesoverheersend?
Eerst ben je blij dat je het eind van het boek hebt gehaald en vervolgens als het in de ogen van derden, je redacteur en andere lezers van de uitgeverij, geslaagd is. Daarna volgen een paar maanden van een ontredderd, verweesd gevoel, waarin je niet verder kunt werken terwijl je nog lang niet op het boek uitgekeken was. Ik begon het ritme van het schrijven te missen. Het was een gevoel van ongemak, van achtergelaten te zijn. Pas bij de fase van het redigeren werd ik weer vrolijker.
Een boek gaat eigenlijk twee keer de wereld in: de eerste keer als ik het manuscript inlever bij de uitgeverij, de tweede keer als het boek gepubliceerd wordt. Zo’n eerste keer het boek uit handen geven vond ik enger dan de publicatie, als het boek de buitenwereld in gaat. Ik voel me gewapend door de uitgeverij die achter me staat.
Dat wil alleen niet zeggen dat het een autobiografisch boek zou zijn. Het is een verzonnen verhaal, gestoffeerd met dingen uit mijn eigen leven, waarin ook nog een historische gebeurtenis is verwerkt: namelijk de walvis die de Rijn op zwom.
Hoe overleef ik (zonder) dromen – Francine Oomen
Kinderboekenschrijfster Francine Oomen publiceert een nieuw boek in de Hoe overleef ik-serie. De serie begon met survival in de woestenij. Intussen zijn de schrijfster en haar publiek twaalf jaar en even zoveel Hoe overleef ik-boeken verder. Binnenkort komt de musical.
Het is uit tussen Rosa en haar vriendje Vincent. Daarmee is ook een grote droom ten einde. Maar: als je droom niet uitkomt, moet je een nieuwe zoeken. Of moet je voor altijd je dromen achternajagen om ze uit te laten komen? En hoe zit het dan met nachtmerries? In ‘Hoe overleef ik (zonder) dromen’ probeert Rosa er samen met haar vrienden achter te komen. Dezelfde Rosa begon haar avonturen in de woestenij van Corsica. ‘In het eerste deel was ze op vakantie met haar ouders. In de volgende delen is ze gewoon weer thuis, maar eigenlijk is ze daar ook aan het overleven,’ vertelt Francine Oomen. ‘Want met de brugklas, leraren, vriendjes, je eerste zoen en vriendinnen moet een puber heel wat doorstaan! De puberteit is eigenlijk ook een soort jungle.’
Hoe overleef ik (zonder) dromen? / druk 1
Francine Oomen
Hardcover € 12,95
Interview
Weet u bij elk boek hoe het verdergaat?
‘Nee, ik kijk steeds per boek hoe het verhaal ontwikkelt. De personages uit het boek komen in mijn hoofd tot leven, ik schrijf op wat er gebeurt. Maar terwijl ik schrijf, kunnen er heel andere, verrassende dingen gebeuren. Als ik bijvoorbeeld Rosa en Vincent een gesprek laat voeren, kunnen ze ineens dingen zeggen die ik niet van tevoren wist. Ook die dingen sturen het verhaal.’De serie is levensecht. Hoe heeft u dat voor elkaar gekregen?
‘Ik schrijf vanuit mijn intuïtie, mijn hart, en mijn eigen ervaringen. En ik kijk ook heel goed naar de ervaringen van mijn eigen, opgroeiende kinderen, en hun vrienden. Wat zij meemaken, maar ook wat ikzelf mee heb gemaakt als puber, kan terugkeren in het boek. Als Rosa onzeker is, denk ik terug aan mijn eigen puberteit, toen ik ook heel onzeker was. Dan schrijf ik op hoe Rosa zich voelt en hoe ze daarmee omgaat.’Hoe was uw eigen puberteit?
‘Ik maakte veel moeilijke dingen mee. Mijn ouders gingen scheiden, ik kreeg een nieuwe stiefvader. Ik voelde me eenzaam, onzeker, ik twijfelde veel. Nu kan ik dat allemaal kwijt in de Hoe overleef ik-boeken. Vooral de eerste delen zijn daardoor best autobiografisch geworden.’Lijkt Rosa op u?
‘Ja! Ze is ook een onzekere puber die zich weleens eenzaam voelt. En ze is veerkrachtig, gevoelig en creatief. Maar ze is geen evenbeeld van mij. Ze heeft bijvoorbeeld ook karaktereigenschappen die ik bij andere mensen zie.’Met alles wat Rosa meemaakt, lijkt het wel of u uw lezers iets wil vertellen…
‘Met de boeken wil ik kinderen op een luchtige manier iets laten opsteken van de gebeurtenissen van Rosa. Ik krijg veel reacties van kinderen die zeggen dat ze door de verhalen zelfverzekerder zijn geworden, of beter met hun ouders kunnen praten. Dat is zó’n groot compliment, daar kan geen boekenprijs tegenop!’Wat is het belangrijkste dat u met de Hoe overleef ik-serie aan kinderen wil vertellen?
‘Ik vind het heel belangrijk dat je de lichte en de zware dingen in het leven met humor benadert. De Hoe overleef ik-serie is ook zo bedoeld: het is geen soap, maar een boekenreeks waarin Rosa de leuke en minder leuke dingen die ze meemaakt, leert relativeren. Zoals mensen dat in de echte wereld ook moeten kunnen!’Nou, mevrouw Oomen, ik heb geen vragen meer. Is er iets dat u graag nog wil zeggen?
‘Jazeker! Ik wil graag nog even vertellen dat er een musical van Hoe overleef ik mijn eerste zoen wordt gemaakt. Dat vind ik een prachtig feest! Het is erg leuk om te weten dat er heel goede, jonge acteurs bezig zijn met de rollen van Rosa, Vincent, Jonas en anderen. Er komt een fantastisch decor en heel mooie liedjes. Iedereen mag komen kijken!’Carry Slee - Bangkok boy
Wat doe jij als de liefde van je leven je plotseling dumpt en vervolgens spoorloos verdwijnt? Carry Slee beschrijft dit in Bangkok boy, een boek voor jongeren vanaf 16 jaar. ‘Met Bangkok boy zocht ik een nieuwe leeftijd, waarvoor ik nog niet eerder had geschreven.’
Carry Slee gooit het na 59 levensjaren en zo’n 70 boeken over een andere boeg. Eerder schreef ze vier volwassenenromans en kinderboeken voor diverse leeftijden. Bangkok boy is speciaal voor lezers tussen de 16 en de 20 jaar – dus tussen het kinderboek en het volwassenenboek in.
Bangkok Boy / druk 1, paperback € 15,95
Interview
Is er nog een gat te dichten tussen kinderboek en volwassenenboek?
‘Er is een klein aantal boeken met een hoofdpersoon tussen de 16 en 20 jaar, maar die zijn vanuit de denkwereld en het perspectief van een volwassene geschreven. Bangkok boy heb ik bewust willen schrijven vanuit de belevingswereld van de lezers.’Hoe verschillen die werelden?
‘Jongeren van 16 tot 20 jaar zijn nog niet volwassen en vinden die wereld ook niet interessant. Ze zijn heel erg met zichzelf bezig: ze gaan bijna op zichzelf wonen, het zelfstandige leven lonkt, maar kan ook eng zijn. Ze zijn volop bezig te ontdekken wat ze echt leuk vinden, wie ze zijn, wat ze later willen gaan doen.’Kostte het u moeite om deze belevingswereld tot leven te wekken?
‘Ik wilde dit boek al een tijd lang schrijven, en vorig jaar heb ik de rust in mijn leven gevonden om eraan te beginnen. Ik heb geen druk op mezelf gelegd, maar ben rustig gaan nadenken. Intussen ben ik veel op websites geweest waar jongeren komen. Ik heb de tijdschriften gelezen, de films gekeken, die zij ook zien. Zo heb ik me verdiept in hun denkwijze, hun taalgebruik, hun levens.’Heeft u voor alle boeken zoveel voorwerk moeten verrichten?
‘Gelukkig niet. Vanuit mijn opleiding en werkervaring als dramadocent heb ik een groot inlevingsvermogen ontwikkeld. Mijn eerdere boeken voor kinderen van diverse andere leeftijden heb ik ook vanuit die ervaring geschreven.’Toch bent u begonnen als schrijfster van boeken voor volwassenen.
‘Het eerste manuscript dat ik bij een uitgeverij inleverde was een sterk autobiografisch verhaal voor volwassen lezers. Ik kreeg de reactie terug dat ik de gebeurtenissen die ik beschreef, eerst maar eens moest verwerken. Daarna ben ik begonnen aan de grote reeks kinderboeken die ik nu geschreven heb.’Heeft u later teruggegrepen naar dat eerste boek?
‘Ja, toen ik voor mijn gevoel voldoende afstand had van dat autobiografische verhaal, heb ik het opnieuw opgeschreven. Dit keer ging het veel beter, en is het uitgegeven als Moederkruid. Het werd een succes: ruim 100.000 exemplaren gingen over de toonbank en het werd genomineerd voor de NS Publieksprijs. Ik vond dat boek voor volwassenen een welkome afwisseling.’Waarom?
‘Ik wil niet teveel herhalen. Als ik een paar boeken in, bijvoorbeeld, de leeftijd ‘omstreeks 12 jaar’ heb geschreven, heb ik dat terrein weer even gehad en ga ik door in een andere leeftijd. Anders heeft het geen uitdaging meer voor me. Daarom zocht ik met Bangkok boy weer een nieuwe leeftijd, waarvoor ik nog niet eerder had geschreven.’Hoe sterk verschilt het schrijven voor verschillende leeftijden?
‘Het verschil is enorm. Elke leeftijd vraagt om een compleet andere aanpak, ander taalgebruik, een andere vertelling. Wat begrijpen ze wel, en wat niet? Wat vinden ze in een bepaalde leeftijd spannend, en leuk om te lezen?Gold dat ook voor de boeken voor volwassenen?
‘Zeker, toen ik de boeken voor volwassenen ging schrijven, vond ik dat ook prettig: wéér een heel andere methode, een ander publiek! Ik kon daardoor ook afstand nemen van de kinderliteratuur, waardoor ik daar na enkele jaren weer met een frisse blik naar terug kon keren.’Wat is het belangrijkste aspect van uw succesvolle kinderboeken?
‘Ik vind het belangrijk dat de verhalen echt zijn, realistisch. Kinderen moeten zich in het verhaal kunnen plaatsen, zich kunnen identificeren met de hoofdpersoon. Het moet ze meeslepen in de spannende gebeurtenissen, ze moeten benieuwd blijven hoe het verdergaat. Zodat ze de volgende dag op het schoolplein aan elkaar het boek aan kunnen raden, dat is bij kinderen de belangrijkste vorm van reclame!’Renate Dorrestein over haar nieuwe roman Is er hoop
Schuldgevoel is een bron van schrijversgeluk
Falen van ouders is onontkoombaar
Door: Fleur Speet
In is er hoop, de nieuwe roman van Renate Dorrestein, ontvoert een jongen met een laag IQ samen met zijn vriendinnetje een baby. Eerlijk gevonden, denken ze. De oma van de jongen ontvangt hen met open armen en dan wordt het pas echt gezellig. Tot het vriendinnetje, dat weggelopen is, besluit huiswaarts te keren en de baby achter laat. Verwaarloosde kinderen, dat zijn de personages bij uitstek van Renate Dorrestein.
Foto: Anja Robertus
Interview
Is de roman een vervolg op Zolang er leven is uit 2005?
‘Een vervolg schrijven zou nooit in mijn hoofd opkomen, dan zouden mensen eerst het ene deel moeten lezen voor ze het andere konden begrijpen. Maar het boek borduurt er wel op voort. In Zolang er leven is wilde ik de onzekerheid onderzoeken die ouders overvalt wanneer hun baby opeens verdwenen is. In die roman wordt de baby weer teruggevonden, maar de ouders blijven in het ongewisse over wat er in de tussentijd gebeurd is. Juist de ontreddering boeide me, niet wat er met de baby was gebeurd. Maar duizenden lezers lieten me weten dat ze daar zo nieuwsgierig naar waren. Ik ben mijn lezers graag ter wille. Ik heb zulke lieve, trouwe lezers en ze komen steeds met die baby aanzetten. Ik vond een manier om er een op zichzelf staand boek van te maken waarin ik het antwoord geef, als ode aan mijn lezers. En om de lezers te eren, verlootte de uitgeverij via internet 45 kaarten voor de presentatie l in Amsterdam. Daar kregen zij, als cadeau, dit boek eerder in handen dan de media, want voor de lezers is het geschreven.’Was het schrijfproces nu anders?
‘Ja, beslist. Het was wonderlijk om al een paar ankers uit het verhaal te kennen. Normaal werk ik rommelig en intuïtief, nu wist ik dat er een baby moest worden gestolen en die moest weer terug ook. Ik verbleef op Terschelling en zat op de kade in de haven waar een jonge vrouw met het syndroom van Down, rond de twintig, liep te paraderen met een kinderwagen. Daarin lag het babytje van haar zus. Ik dacht twee dingen. Ten eerste dat dit meisje nooit een kindje zou krijgen, dat zou haar omgeving te allen tijde voorkomen. Wat betekent dat voor haar? En ik dacht aan Bobbie uit Zolang er leven is, die met al haar verstandelijke beperkingen trots rondliep met de baby Babette. Opeens wist ik wat er met Babette was gebeurd. Toen ging ik meteen schrijven.’Dat vergt discipline.
‘Nou nee, eigenlijk helemaal niet. Ik ben gewoon net zo nieuwsgierig als de lezer en wil weten hoe het verder gaat. Dat is zo’n geweldige motor, ik ga nooit met tegenzin naar m’n werk. Ik heb een ontzettend leuk jaar gehad met Igor, zijn oma Nettie, hun vriend Stanley en het vriendinnetje van Igor, Lisa. Ze zijn allemaal zo aandoenlijk en van goede wil. Ik vind het ook leuk om weer een alternatief van een gewoon gezin te laten zien, zoals Igor, Nettie en Lisa samen met Babette op het hoogtepunt van de roman een warme familie vormen. Er zaten veel elementen aan die me heel dierbaar zijn, daarvan ga je misschien ook harder werken.’Het boek is heel verontrustend.
‘Ja, comfortabel zullen mijn romans nooit worden, al had dit boek veel erger kunnen aflopen. De dochter van Nettie is drugsverslaafd, daarom zorgt Nettie voor Igor, haar kleinzoon. Nettie zit gevangen in een martelgang; als een hete aardappel wordt ze van het ene naar het andere loket geschoven met een agressief en onberekenbaar kind waar niemand zijn vingers aan wil branden. Wat dat betreft is het boek een eerbetoon aan de mantelzorg. Nettie schrobt de plees om Igor te kunnen verzorgen en daarmee haar denkbeeldige schuld ten opzichte van haar dochter in te lossen. Nettie heeft nogal een rommelig leven achter de rug en ze heeft nooit geweten wie de vader van haar dochter was. Dat is natuurlijk niet in de haak, maar ze denkt meteen dat daarom álles haar schuld is. Ze dicht zichzelf een grotere rol toe dan haar toekomt. Lisa, het vriendinnetje van Igor, richt met het stelen van de baby wel degelijk iets aan. Wat is daarmee vergeleken de schuld van Nettie nog? Het leven gaat niet zoals je het droomt, het is niet rechtvaardig. Misschien schuilt de rechtvaardigheid wel in het feit dat je als moeder helemaal niet verantwoordelijk bent voor de ontsporing van je kind. Want het falen van ouders is onontkoombaar. Schuldgevoel is een bron van veel schrijversgeluk, omdat het bijna altijd onterecht is.’Toch spreekt u met veel vrolijkheid over de roman.
‘Wat ik zo opwekkend vind is dat Igor met al zijn beperkingen de wereld totaal unverfroren tegemoet treedt en zijn rol met veel verve vervult. Zonder hem kan niemand bestaan, denkt hij. Zijn levensovertuiging is buitengewoon solide. Hij is gelukkig en stapt vrolijk voort. Er zit geen draad kwaad aan die jongen. Hij ziet van alles de zonzijde, daarin is hij een lichtend voorbeeld voor ons allen.’Jet Boeke over Het tweede dvd-boek van Dikkie Dik
Met 'Het eerste dvd-boek van Dikkie Dik' kwam Dikkie Dik, de populaire kinder-, kleuter- en peuterkat, voor het eerst in dertig jaar ook als animatie tot leven. Nu ligt ‘Het tweede dvd-boek van Dikkie Dik’ in de winkel. Onder meer met acht geanimeerde verhalen, verteld door Jet Boeke zelf. Een derde dvd-boek staat op stapel en dat is nog maar een begin. ‘Van Dikkie Dik zal veel meer verschijnen,’ belooft Jet Boeke. Reden? ‘De rechtenkwestie’. Dikkie Dik is na dertig jaar vrij om te gaan en staan waar Jet Boeke zelf wil. En dat belooft veel nieuws voor alle fans van de favoriete kater.
‘Het tweede dvd-boek van Dikkie Dik’ is illustratief voor de nieuwe avonturen van Dikkie Dik. Avonturen die zich niet alleen meer in boekjes afspelen, maar ook allerlei andere vormen aannemen. Zoals die van de musical samen met Dirk Scheele, ‘wegens groot succes geprolongeerd,’ aldus Jet Boeke. Of een pluchen Dikkie Dik, ‘waar al veel vraag naar is.’ Babyboekjes, knuffeldoekjes, puzzelboekjes, spelletjes, postzegels, een borduurpatroon… In boekwinkels komen Dikkie Dik-voorleeshoekjes. Want voorlezen blijft de kracht van Dikkie Dik. ‘Dertig jaar geleden tekende ik Dikkie Dik speciaal voor Sesamstraat. Voorlezen is beter dan voor de televisie zitten. Waarom dan niet voorlezen óp televisie? Dikkie Dik bleek een succes en is dat al die jaren altijd gebleven.’
Jet Boeke, ‘Het tweede dvd-boek van Dikkie Dik’, Gottmer Uitgevers Groep, ISBN 9789025744908 (€ 12,95)
Interview
Waar schrijf je het succes van Dikkie Dik aan toe?
‘Ik kan er niet precies de vinger op leggen. Het kan zijn omdat kinderen de verhalen van Dikkie Dik herkenbaar vinden. Ze voelen zich erdoor aangetrokken. Daarbij moet je het eenvoudig houden zonder kinderachtig te worden. Voorop staat dat kinderen het begrijpen.’Een poes die Muis heet is het vriendinnetje van Dikkie Dik. Hoezo begrijpen?
‘Ha, ha. Ja, Poes Muis… Op een gegeven moment ging een grijze poes meespelen. Ik noemde haar Poes Muis, naar de poes van de buren. Ik vond het leuk om Dikkie Dik een vriendinnetje te geven. En Beer. Ze spelen vaak mee, net als andere karakters in de serie.’Een serie die blijft uitbreiden. Hoe productief ben je?
‘In het verleden maakte ik vooral veel korte verhalen voor Sesamstraat. Later kwamen er langere verhalen met telkens zestien tekeningen. Daarvan maak ik er zeker een per jaar. Maar het gaat om meer dan alleen maar boeken.’Waarover gaat het dan nog meer?
‘Het gaat er om het voorlezen te blijven stimuleren. Daartoe ben ik veel op scholen, in bibliotheken en in boekhandels. Zo teken ik tijdens het vertellen de avonturen van Dikkie Dik op een flipover, heel interactief. Door het voorlezen komen kinderen op vroege leeftijd in aanraking met boeken. Boeken om mee te spelen en om dingen mee te doen. Mooie, goede boeken...’Boeken die het beter doen nu Dikkie Dik in meer vormen verschijnt?
‘De boeken liepen altijd goed, maar inderdaad: het beïnvloedt elkaar. Ik heb nu veel meer zeggenschap, waardoor naar mijn gevoel ook ‘Het tweede dvd-boek van Dikkie Dik’ heel erg goed is geworden. De uitgever en ik werken nu ook veel meer samen. Meer zorg, meer tijd, meer Dikkie Dik!’Gerbrand Bakker over zijn nieuwe roman ‘Juni’
Juni 1969. Jan en Johan, twee van de Kaantjes, staan voor Het Polderhuis om koningin Juliana feestelijk te begroeten. Hun oudste broer Klaas is er niet, want die gaat liever zwemmen. Wanneer hun moeder met de kleine Hanne iets te laat op het feestterrein arriveert, precies op het moment dat de majesteit weer in de auto stapt, neemt Juliana nog even de tijd om ze persoonlijk aan te spreken. Het zou een onvergetelijke feestdag zijn geweest, als de bakker ’s middags niet met zijn splinternieuwe VW-busje een ongeluk had veroorzaakt... Met ‘Juni’ schreef Gerbrand Bakker een familiedrama, dat de gezinsleden verdeelt en nog tijden doorsuddert. Want als Jan Kaan jaren later op een gloeiendhete junidag naar zijn geboortegrond terugkeert, is er meteen weer onrust en stille woede. En waarom wil niemand aan de kleine Dieke vertellen om welke reden haar oma al anderhalve dag met een fles advocaat in de oude schuur op het stro ligt en geen mens wil zien…
Gerbrand Bakker, Juni, Uitgeverij Cossee, ISBN 978 90 593 6256 7 (€ 19,90)
Interview
Boven is het stil, je eerste roman, verkocht ruim 75.000 exemplaren. Een succes dat je met Juni wilt evenaren?
‘75.000 is maar een getal. Erg leuk natuurlijk, maar eigenlijk doet dat me niet zoveel. Ik stond ook totaal niet stil bij recensies, bij de ontvangst, of wat het met lezers zou doen. Nu merk ik wel dat de druk bij het schrijven van Juni zwaar was . Mensen verwachten iets. Ik was, en ben, soms onzeker over het boek, dan vind ik het mislukt. De dag erna praat ik mezelf weer moed in. Van de commotie rond mijn debuut heb ik veel geleerd, ik sta nu heel anders tegenover het boek en de ontvangst. Ik laat soms mijn hoofd hangen naar wat de pers erover schrijft en kan er veel van leren. Ik weet beter wat ik kan verwachten als het gepubliceerd is.’Juni is opnieuw een roman waarvan het verhaal zich afspeelt op het platteland. Hoe zou je het afzetten tegen je eerste roman, Boven is het stil?
‘Juni is een minder “stil” boek. Er gebeurt meer, er zijn meer personages, meer perspectieven ook, en meer dialogen. Overeenkomstig is dat beide boeken zich inderdaad op het platteland afspelen: Boven is het stil in Waterland, Juni in de kop van Noord-Holland en, op het eind, op Texel.’Is er iets in het platteland dat je zo aantrekt?
‘Ik bracht mijn jeugd door op het platteland. Toen ik 18 was, wilde ik het liefst zo snel mogelijk weg thuis. Niet dat het vervelend was, maar ik wilde mijn eigen weg zoeken. Ook in de verhalen die ik toen schreef, zocht ik het tegenovergestelde op van wat toen mijn leven was. Ik wilde naar de grote stad en nam dat als decor voor mijn verhalen. Maar dat klopte niet.’Waarom niet?
‘Ik zocht het allemaal zo ver mogelijk van mijzelf af, ik volgde mijn hart niet. Toen ben ik erover na gaan denken. Waaraan ontworstel ik me eigenlijk, en waarom? Met mijn twee boeken wil ik terugkeren naar het platteland, terugkeren naar wat mijn hart mij ingaf. Dat gaat veel beter. Als schrijver moet je het juist dicht bij jezelf zoeken, alleen dat levert authentieke verhalen op.’Is het leven op het platteland dan zo anders dat het ook je schrijven beïnvloedt?
‘Het leven misschien wel, de mensen in elk geval niet. Iedereen heeft dezelfde gevoelens en herkent deze in een verhaal, of je nu in een metropool of in een gehucht woont. Maar op het platteland ontbreekt de ruis. Het is er stiller, de mensen leven er wat dichter bij de natuur. Zoals het eigenlijk hoort. Denk aan de boeren, die de hele dag met hun laarzen in de modder staan. Volgens mij is dat een veel logischer, veel normalere manier van leven.’Juni kwam trouwens op een originele manier onder de aandacht: Uitgeverij Cossee schreef een ontwerpwedstrijd uit voor het omslag. Hoe ben je daarbij betrokken?
‘Het was een voorstel vanuit de uitgeverij. Het vestigde aandacht op het boek. Ineens bleek ik ook in de jury te zitten. Het was leuk om te zien hoe andere mensen aan de slag gingen met het verhaal.’Koningin Juliana speelt een rol in Juni. Is dat omdat 2009 haar honderdste geboortejaar is?
‘Nee, ik wist dat niet, het is stomtoevallig samengekomen. Ik wilde graag een boek schrijven over koningin Juliana. Ze bezocht Texel daadwerkelijk op 17 juni 1969, en ik heb dat gebruikt als decor voor mijn verhaal. Het schrijven van Juni duurde daardoor lang. Ik heb veel research gedaan om alle feiten te achterhalen en goed in het boek te verwerken.’En de monarchie, deugt die ook? Is Juni een soort eerbetoon?
‘Ja, want ik draag het koningshuis een warm hart toe. Het verbindt de Nederlanders met elkaar, het zorgt voor stabiliteit. Nederland is Nederland dankzij het koningshuis.’Tommy Wieringa over Caesarion
Ludwig Unger is de zoon van twee wereldberoemde ouders. Hij was voorbestemd voor een roemrijk leven, maar slijt zijn dagen als barpianist. Zijn moeder, inmiddels overleden, gaf hem de wrange bijnaam ‘Caesarion’: de onbetekenende zoon van Julius Caesar en Cleopatra. Tommy Wieringa over de chemie van succes.
Lees interview
Interview
Net als in Joe Speedboot is de hoofdpersoon in Caesarion een door overmacht geknakte persoon. Is dat een type personage waarmee je graag schrijft?
‘Met dat type personage kan ik vanaf de buitenkant naar de wereld kijken. Het leven lijkt langs ze heen te glijden, ze staan buiten alle aandacht. In elk geval neem ik nooit een personage dat op mijzelf lijkt. Veel schrijvers kiezen een personage dat weliswaar ook buiten de wereld staat, maar dat ze eigenlijk zelf zijn: een schrijver, een journalist, een onderwijzer.’Het belangrijkste verschil tussen de hoofdpersoon in Joe Speedboot en Caesarion lijkt te zijn dat Ludwig alles mee heeft.
‘Zijn ouders zijn beide beroemdheden, wier leven geslaagd is. Het lijkt de ideale voedingsbodem voor een beroemd, geslaagd leven voor Ludwig, maar het is feitelijk een grote handicap. Want hoe moet hij over zijn ouders stijgen?’Heb je tijdens het schrijven van Caesarion je succesvolle Joe Speedboot als een last ervaren?
‘Pas toen ik klaar was met Caesarion, werd mij de lading van Joe Speedboot duidelijk. Je moet begrijpen hoe belangrijk het succes van Joe Speedboot voor mij was: voor het eerst was ik iemand van wie iets werd verwacht. Na een tijdje ben ik aan een nieuw boek begonnen, maar ik was erg geconcentreerd op het boek zelf. Het schrijven van een roman vind ik namelijk een kwelling.’Waarom?
‘Ik zat mij achter de schrijftafel af te vragen: ‘Wat heb je je op de hals gehaald, dit komt nooit af.’ Het schrijven van een roman begint bij de euforie van een paar goede ideeën, een briljante inval. Daarna komt het proces van maandenlang uitwerken. Mijn fysiek is daar niet op ingesteld, ik ben te onrustig. Fysiek ben ik een columnschrijver, maar mentaal ben ik een romanschrijver.’In beide genres boek je successen…
‘Beide genres vind ik prachtig. Ik bedenk allerlei ideeën waarvan ik in de kiem al weet wat het eindproduct is: een column of een boek. Óf een aantekening. Ik denk dat de “aantekening” een belangrijk literair genre is. Meer nog dan in een essay – daarin is de schrijver toch vaak bezig met zijn stijl en zijn compositie – is de schrijver écht vrij in de aantekening.’Wat was de kiem van Caesarion?
‘Ik begon met twee elementen, die ik als een chemicus met elkaar wilde laten reageren om te zien wat er zou gebeuren. Die twee elementen waren de beide ouders van de hoofdpersoon, Ludwig Unger. Ik vermoedde een monsterlijkheid, maar het werd volkomen anders. Die twee beroemde, geslaagde ouders bleken niet te overtreffen door Ludwig.’Wat is het gevolg voor Ludwig?
‘Als hij beseft dat hij niet aan de verwachtingen kan voldoen, kiest hij voor het tegenovergestelde: een leven in anonimiteit, een egoloos bestaan. Hij voelt zich hiertoe niet gedwongen door de status van zijn ouders, hij kiest er echt voor. Weliswaar lijdt hij onder de druk van een grote ambitie, maar die heeft geen verstrekkende gevolgen.’Het boek begint symbolisch.
‘Ludwigs moeder is overleden en hij gaat met haar as naar Engeland, waar zij woonden. Hij heeft in die scène afgerekend met zijn verleden. Zijn toekomst ligt uitgespreid en leeg voor zich, als een onbekend terrein dat hij moet verkennen.’Is dat niet eng?
‘Ludwig vindt het eigenlijk een mooie kans om zichzelf te vormen tot wie hij echt wil zijn, in plaats van te zijn wie hij altijd was.’Het schrijven van een boek is iets magisch. Dat moeten we vooral zo houden. Maar kan je wellicht enkele tipjes van de sluier oplichten?
‘Ik schrijf beeldend, ik zie de scènes voor me. Alle bewegingen onderzoek ik. Als ik opschrijf hoe iemand een haarlok uit zijn gezicht strijkt, probeer ik dat eerst bij mezelf uit. Belangrijk in die manier van schrijven is de timing, want in die scenische weergave moet alles correct op elkaar aansluiten, uit elkaar volgen. Ook dat is een aspect van de manier waarop ik schrijf. Op een organische, zichzelf voortbouwende manier ontwikkel ik het verhaal. Enkel het grondidee staat vast, de rest komt daaruit voort. Hoe het verhaal ook voortgaat: het verveelt me niet, het verrast me.’Tommy Wieringa, Caesarion, Uitgeverij De Bezige Bij, ISBN 978 90 234 2987 6 (€ 24,90)
Esther Verhoef
Esther Verhoef (1968) werd geboren in ’s-Hertogenbosch en groeide vooral in het Brabantse op. De drang om te schrijven was al vroeg aanwezig en bleef een constante factor.
In 1989 schreef ze een wekelijkse column in Flair en in 1995 kwam haar eerste boek uit, een rasmonografie over buldogjes. Vanaf 1995 schreef zij ruim 50 boeken over huisdieren en ze deed ook de fotografie voor deze boeken. Daarnaast begeleidde ze een even groot aantal manuscripten van andere auteurs tot aan publicatie. Verschillende van haar boeken stonden lange tijd in de landelijke bestsellerlijst. Een groot deel is vertaald. Esthers dierenboeken zijn in ongeveer 80 landen te koop. Wereldwijd zijn er naar schatting inmiddels meer dan acht miljoen verkocht.
Naast het schrijven van dierenboeken was Esther jarenlang hoofd- en eindredacteur van diverse tijdschriften op dierengebied, en runde ze een beeldbank die gespecialiseerd is in afbeeldingen van huisdieren, met voornamelijk uitgevers, reclamebureaus en dierenrechtenorganisaties als klant.
In de winter van 2005 legde ze deze bezigheden neer om zich volledig te kunnen wijden aan het schrijven van thrillers.
Interview
Het thema van de Maand van het Spannende Boek is Wraak, in hoeverre is dit een thema dat bij u past? Bent u zelf wraaklustig?
Privé ben ik verre van wraakzuchtig. Ik ben geen heilige, maar als je met wraakgevoelens rondloopt, maak je die ander te belangrijk. Dat gun ik zo iemand niet. Ik wil geen tijd en energie in zulke dingen steken.Verplaats ik me in de extreme situaties waarin mijn personages zich soms bevinden, dan kan ik me hun wraakgevoelens wel voorstellen. En ook dat je het daar niet bij laat...
In mijn boeken wordt regelmatig wraak genomen. Vooral in de Escobers. Het is een heerlijk thema voor een thrillerauteur.
Voordat u debuteerde als thrillerschrijfster, schreef u vele dierenboeken, waarbij u debuteerde met een Rasmonografie over Bulldogjes. Hoe is het zo gekomen dat u bent overgestapt van de dierenboeken naar de thrillers?
Als kind schreef ik al dagelijks informatieve stukjes, maar ook over dingen die me bezighielden. Dat ben ik altijd blijven doen. Dat ik eerst dierenboeken publiceerde is eigenlijk toeval. Toen ik in 1994 een uitgever benaderde met het manuscript van De Engelse en Franse Bulldog, vroeg zij of ik meer dierenboeken voor hen kon verzorgen. In 11 jaar tijd schreef ik bijna 60 boeken over dieren, daar was ik 80-90 uur per week mee bezig.Op een gegeven moment ga je jezelf herhalen, er was nog zoveel meer dat ik wilde doen. In 2002 werd ik zo onrustig, dat ik ’s nachts een roman begon te schrijven.
Dat werd Onrust, mijn eerste thriller over Sil Maier, die vorig jaar, samen met de opvolger Onder druk die een jaar later verscheen, is heruitgegeven onder auteurspseudoniem Escober.
Onder het pseudoniem Escober schrijft u samen met uw man Berry Verhoef thrillers. Hoe werkt dat, samen een boek schrijven? En vooral: hoe werkt dat als de schrijvers man en vrouw zijn?
Ik doe het merendeel van het schrijven. Ik wil graag beelden overbrengen, emoties oproepen, en ik vind het ook heerlijk om met details bezig te zijn. Berry vindt het juist leuk om met verhaallijnen te spelen en om de puzzel kloppend te krijgen.Die combinatie werkt fantastisch. We hebben allebei hetzelfde voor ogen en dragen bij met dat waar onze kracht ligt.
Voor het schrijven van het geschenkboekje Erken mij heeft u inspiratie opgedaan door een aantal dagen rond te zwerven in de stad van de liefde, Parijs. Gaat u vaker voor het schrijven van een boek naar een bepaalde locatie om u nog meer in te leven in het verhaal of om inspiratie op te doen?
Berry en ik bezoeken vrijwel alle plaatsen die in de boeken voorkomen. Ik heb het nodig om inspiratie op te doen of dieper in een verhaal te duiken; achter mijn schrijftafel komt er niets. Vaak ontstaat een verhaal voor een groot deel op locatie.In Ongenade bijvoorbeeld gaat Sil Maier naar zijn geboorteplaats München, op zoek naar zijn roots. Meer wisten we nog niet, dus gingen we alvast naar Beieren. Door te praten met oude Müncheners op de Marienplatz kwam Berry op ideeën voor de plot. Zo kwamen we via Oostenrijk in Italië en uiteindelijk in de Provence terecht. We legden dezelfde route af als Sil Maier in het boek.
Erken mij speelt zich volledig af in Parijs. Ook voor dit boek hebben we alle locaties bezocht die worden beschreven. Tot de hotelkamer aan toe.
In Nederland heeft u als ‘concurrenten’ Saskia Noort, Marion Pauw en Simone van der Vlugt? Heeft u weleens een boek van hun gelezen of heeft u weleens contact met hen over jullie schrijverschap?
We zijn geen concurrenten van elkaar, maar gewoon goede collega’s. We zitten bij dezelfde uitgever en komen elkaar regelmatig tegen. Dan hebben we het over van alles en nog wat, behalve over schrijven eigenlijk.Alles te verliezen is recent verschenen, maar kunt u ons al iets vertellen over de planning van een eventueel nieuw boek?
Tot voor kort schreef ik nog volop aan Erken mij en momenteel ben ik druk met promotionele activiteiten, zoals dat dan heet, voor de Maand van het Spannende Boek.Na de zomer wil ik me weer gaan toeleggen op schrijven. Ik heb volop ideeën, beginnetjes voor zowel een nieuwe Esther Verhoef als een Escober en nog wat andere projecten. Welke ik daarvan oppak, weet ik nu nog niet.
Fotografie: © Merlijn Doomernik
Hugo Borst
Hugo Borst, bekend als voetbaldeskundige en AD-chroniqueur, schreef een indringend en oprecht boek over zijn grootste idool: jeugdvriend Heintje.
Pull quotes:
‘Ik heb een hang naar vroeger, een soort heimwee naar mijn jeugd, en houd ontzettend van voetbal.’
‘Ik wilde ook zo’n voetballer zijn. Ik observeerde hem, maar ik durfde niets te zeggen.’
Interview
Wie is Heintje?
‘Heintje is een oude jeugdvriend. Ik ontmoette hem toen we kikkers gingen vangen. Vanaf het begin fascineerde hij me. Heintje had een zwarte huidskleur en had een perfect atletisch lichaam. Hij ving de kikkers, die wij niet te pakken kregen. Vanaf de eerste dag wist ik dat ik zo wilde zijn als hij.’Wat fascineerde je zo aan hem?
‘Zijn authenticiteit. Ook al was hij maar een jaar ouder dan ik, hij was al onafhankelijk. Hij gedroeg zich onaangepast, hij was rauw, zichzelf. Terugkijkend denk ik dat dit ook in mijzelf zat, dat ik het wilde ontwikkelen. Met Heintje als grote voorbeeld.’Snel daarna speelden jullie voetbal in hetzelfde team bij het Rotterdamse WIA, Wakker In Alles. Hoe was dat?
‘Ik keek huizenhoog tegen Heintje op. Wij voetbalden allemaal in onze straten en op onze pleinen, maar als we met hem op het veld stonden, was het net of hij een andere sport beoefende, zóveel beter was hij. Ik wilde ook zo’n voetballer zijn. Ik observeerde hem, maar ik durfde niets te zeggen. De voorbeeldfunctie die hij vervulde was voor hem ook zwaar: hij voelde een sterk plichtsbesef. Hij wist ook wel dat hij de beste van het team was, maar sprak daar niet over.’Hoe reageerden de tegenstanders op hem?
‘Die waren jaloers: ze schoffelden hem onderuit en beledigden hem vanwege zijn zwarte huidskleur. Dat maakte hem weer opvliegend. Hij was een groot talent, speelde in het Rotterdams elftal, en ik weet zeker dat scouts van Feyenoord, Sparta en Excelsior hem in de gaten hadden, maar op zijn temperament zijn afgeknapt. Op een gegeven moment is hij gewoon met voetballen gestopt.’Waarom? Hij had wellicht een grote toekomst voor zich!
‘Hij had er gewoon geen zin meer in. Hij is daarna bokser geworden, ook daarin was hij zeer getalenteerd. En hij was de eerste zwarte schaatser – dus niet Shani Davis – en ook dat beheerste hij. Zijn lichaam ademde sport: zijn benen waren verstrengelde kabeltouwen, hij had een 6-pack en een compacte lichaamsbouw.’Was het contact verbroken nadat hij stopte met voetballen?
‘Ja, ik heb hem zo’n 13 jaar niet meer gezien of gesproken. Via via had ik wel eens gehoord dat hij als lasser werkte aan de tramrails. Plotseling, autorijdend door de stad, hoor ik ergens zijn stem schallen. Ik herkende die stem gelijk en ben naar hem toegelopen. Een stomtoevallige ontmoeting, maar het was gelijk weer even leuk als vanouds. We zijn weer met elkaar in gesprek geraakt en hebben de vriendschap van weleer vervolgd.’En toen ging het verkeerd…
‘Hij kreeg te horen dat hij ernstig ziek werd. Hij is daar niet meer bovenop gekomen. Tot het eind toe is hij zoveel mogelijk zichzelf gebleven – rauw en onaangepast – hoewel hij helemaal aan het eind wel wat zachter werd, ook omdat hij afhankelijk werd van hulp. Tien dagen voor zijn dood sprak ik hem het laatst. Uit respect heb ik hem de laatste dagen alleen gelaten met zijn familie. Zo is hij op 48-jarige leeftijd waardig gestorven.’Wist hij van het boek dat je aan het schrijven was?
‘Zeker, ik heb hem kort voor zijn dood het manuscript nog toegestuurd. Van zijn weduwe vernam ik zijn reactie: Heintje had wat feitelijke onjuistheden verbeterd, en was trots op het boek. Dat ik de oude elftalfoto zou gebruiken voor de cover vond hij mooi.’Het lijkt haast toeval dat zijn overlijden en jouw boek zo samenkomen.
‘Dat is het eigenlijk ook. Ik was bezig met de tweede helft van het boek toen ik hoorde dat hij ziek was. Het was een vervolg op de eerste helft, het deel met de jeugdherinneringen. Dat schreef ik in 2004 voor de Bijenkorf als zelfstandig boekje, en eindigde met de eerste gesprekken die ik met Heintje voerde toen ik hem als straatlasser weer ontmoette.’














Volg Blz.